Jaarlijks Verlof: 29 juli t.e.m. 22 augustus

F.A.Q.

F.A.Q.

De hoogopgroeiende hagen worden steeds aangeplant aan leidraden als ondersteuning van de jonge planten.

Het aantal planten per lopende meter bedraagt 4 à 5 planten afhankelijk van de plantgrootte en de gewenste dichtheid van de haag.

De plantennaam is gelinkt met onze webshop waar meer informatie staat vermeld evenals de prijzen en de beschikbare plantmaten.

De laatste jaren en vooral tijdens het voorjaar, zijn de regengoden onze tuinen niet gunstig gezind. 
In vele tuinen staan de planten er maar slapjes bij.
Neerhangende tot zelfs verdorde bladeren duiden meestal op te droge groeiomstandigheden.

De maanden maart, april en mei zijn over het algemeen zeer droge maanden waardoor jonge aanplantingen in accuut watergebrek komen.

Vooral zanderige bodems vertonen zeer snel een watertekort door hun gebrekkig waterbufferend vermogen.
Het is dus belangrijk, zelfs bij aanplantingen uitgevoerd in het najaar, de watervoorraad in de bodem te controleren tijdens het voorjaar en de daaropvolgende zomermaanden.
De beste manier om dit te uit te voeren, is naast de boom of plant een putje te graven tot ongeveer 30 cm diepte. Een te droge grond zal er stofferig en bleek van kleur uitzien.

Hoeveel water dien je nu te geven aan de aanplantingen?


Hiervoor is moeilijk een vaste regel en hoeveelheid weer te geven.
Als vuistregel kan je stellen op weekbasis voor een zanderige grond:
- hoogstammige bomen: 20 à 30 liter tenzij na enkele beurten blijkt dat de grond verzadigd is,
- sierheesters, coniferen uit pot of met aardkluit: 5 à 10 liter,
- kleine plantjes uit een P9-pot: 1 liter water.

Enkele dagen na het water geven kan je opnieuw controleren of er voldoende vocht is doorgedrongen tot aan de wortels van de planten.

Watergeven met een beregeningsapparaat, zoals daar zijn:  
de eenvoudige ronddraaiende sproeier aangesloten op een tuinslang aan de waterkraan, of een volautomatische tuinberegening.
- Eerste vuistregel:
Geef in één keer voldoende water i.p.v. in vele malen een druppel op een hete plaat.
Minstens 1 tot 2 uur per beurt en dan een week wachten.
Op die manier wordt de plant of het gazon gedwongen om met zijn wortels op zoek te gaan naar dieper
zittend water, wat de ontwikkeling van het gazon en de planten ten goede komt doordat ze een uitgebreid 
en dieperliggend wortelgestel aanmaken.
- Ten tweede:
Bij voorkeur 's avonds of 's nachts.
Er is dan veel minder verdamping(verlies) van de rondvliegend waterdruppels plus er is over het algemeen
veel minder wind zodat er een betere verdeling van het water plaatsvindt.
Het gezegde dat je bij beregening tijdens de dag en in volle zon de planten zou verbranden, mag je bij
deze in de vergeethoek zetten. Niets is minder waar en een dwaze uitspraak van vakonkundigen.
- Een klein rekensommetje dat een idee geeft over de hoeveelheid gebruikt water per m2:
Een tuinspoeier kan bij voldoende debiet plus-minus een cirkel draaien met een straal van 10 m.
De totale oppervlakte die hij bestrijkt is dus 314 m2.
Gemiddeld komt er 1000 liter water/uur uit een tuinslang.
De totale waterafgifte of regenneerslag bedraagt dus 2,55 liter/m2 of 2,55 mm neerslag.
Of met ander woorden: 2 en een halve fles water. Niet veel als je dit over een droge bodem uitspreidt.

Hoe kan je het waterhoudend vermogen van je tuingrond verbeteren?

Hiervoor zijn voldoende middelen beschikbaar:
- inwerken van een goede compost verhoogt het waterbufferend vermogen,
- inwerken van 'Terracottem' (waterabsorberende kristallen),
- afdekken van de bodem met schors of hakselhout vermindert aanzienlijk de verdamping van het vocht
uit de bovenste bodemlaag.

Wateroverlast

Voor de meeste planten is een natte bodem nefast.
Enkel water- en moerasplanten kunnen groeien in een constant natte grond.
Sommige planten kunnen wel tijdens hun rustperiode (winter) een wat hogere waterstand verdragen, 
maar ze zijn niet talrijk.

Kenmerken voor planten die last hebben van een te natte grond
- slaphangende bladeren: door de wegrottende wortels kan de plant niet langer water aanvoeren voor
het instandhouden van zijn bladeren. 
- roodverkleuring van het loof van coniferen (taxus - thuja - chamaecyparis)
of groenblijvende bladplanten (buxus - prunus laurocerasus enz.)
Zulke gronden dienen dus ofwel opgehoogd te worden ofwel voorzien van een diepliggende drainage,
ttz. minstens 60 à 70 cm onder het maaiveld.

 Wanneer gaan we bomen, struiken, vaste planten enz. aanplanten in onze tuin?

 Op welk tijdstip hebben we de beste aanplantingsvoorwaarden?

 Vooreerst dienen we een onderscheid te maken tussen de verschillende manieren van rooien en 
 te koop aanbieden van de tuinplanten.

 We onderscheiden de volgende mogelijkheden:
 1. Planten met naakte wortel, opgekweekt in volle grond en afgeleverd met naakte
    wortels.
 2. Planten met aardkluit, opgekweekt in volle grond en afgeleverd met een aardkluit.
 3. Planten opgekweekt in pot, de zogenaamde containerplanten.

 Plantschema per maand:

  - Zoals u kan opmerken in bovenstaand schema zijn de wintermaanden de beste maanden voor het planten en verplanten van alle tuinplanten, welke worden opgekweekt in volle grond.
 - Op dat ogenblik zijn de planten in rust en is de sapstroom minimaal of zelfs helemaal  onbestaand.
 - De planten ondervinden dan ook geen hinder bij de verplantingswerkzaamheden.
 - De wortels krijgen nu ruimschoots de tijd om opnieuw callusweefsel aan te maken en haarworteltjes te ontwikkelen. Deze laatste zijn later nodig om het water op te zuigen en naar de bovengrondse plantendelen te sturen.

In het najaar zien we bij Buxus en Taxus vaak roodverkleuring, hierover 
wat meer toelichting. 

Hoe ontstaat de roodverkleuring en hoe wordt ze beïnvloed? 
Laat ons beginnen met te zeggen dat Buxus bij het aanbreken van de herfst van 
nature een verkleuring heeft. Dit als een gevolg van het verminderen van bladgroen 
uit het blad door reacties van de plant op lagere temperaturen. De stof die bij deze 
reactie wordt gevormd en voor de rode kleur zorgt, is anthocyaan. Gezegd moet 
worden dat deze roodverkleuring verschilt naargelang soort of cultivar. 
De ene cultivar maakt van nature namelijk meer anthocyaan aan dan de andere. 

Invloedsfactoren: 
  Echter zijn er verschillende factoren die de intensiteit van roodverkleuring bepalen. 
De voornaamste factor is de voedingstoestand van de bodem en de  
beschikbaarheid   van de voedingselementen. 
Anthocyaan wordt gemakkelijk gevormd bij gebrek aan voedingselementen 
(vooral N en P, eventueel ook bij K en Mg). Een lage zoutconcentratie van de bodem 
kan een indicatie zijn dat er te weinig voeding aanwezig is voor de plant. 
Ook een te natte of te droge vochttoestand van de bodem kan voor minder opname 
zorgen van elementen. 
Zo zien we duidelijk dat bij de droge omstandigheden van deze zomer 
roodverkleuring snel tot uiting kwam. Dan is er nog de factor koude die er voor 
zorgt dat elementen minder goed opgenomen worden. 
Grote verschillen tussen dag- en nachttemperaturen bevorderen ook verkleuring 
van het blad. 
Anthocyaan vorming wordt ook door direct zonlicht gestuurd. 
Naarmate planten meer in de zon staan zal meer verkleuring te zien zijn. 
Aan de kant van de plant, waar minder rechtstreeks zonlicht aan kan, is daarom 
dus minder of geen roodverkleuring te zien. 
Ook op planten die in de schaduw staan is minder tot geen verkleuring waar te 
nemen.

Oplossing: 
  Zoals je in voorgaande kan lezen zijn er heel wat factoren die voor de verkleuring 
zorgen maar sommige factoren zijn weinig te beïnvloeden. 
Vaak wordt deze verkleuring onterecht geassocieerd met wortelproblemen. 
Het enige wat je kan doen om minder verkleuring te hebben is de voedingstoestand 
van de bodem op een goed peil te houden. Een beetje extra voeding in de vroege 
herfst, bij voorkeur met een traagwerkende meststof met magnesium, zorgt ervoor 
dat deze Buxus goed op kleur blijft. 

 Besluit: 
  Tot slot kunnen we stellen dat vele factoren verkleuring kunnen beïnvloeden. 
De plant mag dan in de optimale grond en optimale omstandigheden staan, toch is 
het mogelijk dat bepaalde soorten roodverkleuring vertonen omdat dit van nature 
wordt veroorzaakt. 
De roodverkleuring zal in de lente spontaan verdwijnen. 
Of de roodverkleuring al dan niet esthetisch is: 
smaken verschillen en gelukkig maar ook!

Algemeen

Van de blauwe regen (Wisteria) bestaat een tiental soorten, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika, China, Korea en Japan.
Wisteria floribunda, de Japanse blauwe regen, is rechtsom windend.
Wisteria sinensis, de Chinese blauwe regen, is linksom windend.
Wisteria formosa is een kruising tussen beide en is linksom windend.
Het zijn leiplanten, die wel 20 m hoog en 10 m breed kunnen worden. Ze moeten dus, om in de hoogte te kunnen groeien, een stelsel van latten of draden hebben waarlangs ze geleid worden. Bovendien zijn het wurgplanten. Doordat de hoofdvertakkingen zich rond de steunpunten (zoals een boom of regenpijp) wikkelen en aan diktegroei doen, komt de steun als deze niet massief genoeg is, uiteindelijk in de verdrukking.
Andere bomen of planten zijn dus niet geschikt om een blauwe regen in te leiden.
De planten bloeien in mei, met blauwe, witte, violette of lilaroze trossen.
De bloemen van W. sinensis geuren sterk, maar die van W. floribunda geuren nauwelijks.
Het duurt over het algemeen enkele jaren na de aanplant voordat de Wisteria gaat bloeien.
Zijn de planten uit zaad opgekweekt dan bestaat een flinke kans dat ze nooit zullen bloeien.
Daarom wordt blauwe regen meestal uit stek vermeerderd, of via afleggers opgekweekt.

Verzorging

Wisteria groeit graag in een lichte, wat humeuze en enigszins vochtige grond, en een zonnige plek (minstens 6 uur zon per dag).
Wisteria’s worden op een onderstam geënt. Bij het planten kan de entplaats het best boven de grond gehouden worden, zodat eventueel opschot gemakkelijk te verwijderen is.
De planten kunnen erg oud worden, en kunnen er slecht tegen om tot op het oude hout teruggesnoeid te worden. Er moet dus van begin af aan een goed takkengestel ontwikkeld worden.

Het snoeien van een blauwe regen (Wisteria) is, net als bijvoorbeeld bij een druif, niet echt ingewikkeld.
Wel een kwestie van goed beginnen en vooral van erg consequent volhouden.
De volgende beschrijving gaat uit van een blauwe regen die geleid tegen een muur moet groeien. Op een pergola kan ook, dan ligt het punt waar de vertakkingen mogen beginnen ter hoogte van de bovenkant van de pergola.

Terug naar de leistruik tegen de muur. Bij het planten wordt de hoofdscheut direct getopt op 80 tot 100 cm hoogte. Er zullen zich enkele knoppen ontwikkelen tot zijtakken, en tot een scheut die de hoofdscheut verlengt. De verlengde hoofdscheut wordt vertikaal aangebonden, 2 of 3 sterke zijtakken worden onder een hoek van 45 graden aangebonden. In de periode tussen juni en eind augustus worden alle zijtakjes die zich op de zijwaarts gerichte takken ontwikkeld hebben teruggeknipt tot circa 20 cm.

Het volgende jaar wordt in de winter de hoofdscheut weer op 80 tot 100 cm boven de bovenste zijscheut ingekort. Dezelfde zijtakken worden nu opnieuw aangebonden, dit keer zo veel mogelijk horizontaal. Ook wordt er dan ongeveer 1/3 van de zijtakken afgeknipt. In de periode tussen juni en eind augustus worden alle zijtakjes die zich op de zijwaarts gerichte takken ontwikkeld hebben teruggeknipt tot circa 20 cm.

Dit wordt zo enkele jaren volgehouden. Iedere verlenging levert dan telkens 2 tot 3 sterke zijtakken op, die eerst onder 45 graden en later horizontaal aangebonden worden. De afstand tussen de horizontale vertakkingen moet ongeveer 40 cm of groter zijn. Zijtakken die te dicht opeen zitten kunnen weggesnoeid worden, evenals nieuw ontstane grondscheuten.

Is de gewenste opbouw van de plant bereikt en de muur (of pergola) bedekt, dan worden verder telkens in de zomer de nieuwe verlengingen teruggeknipt tot 4 tot 6 bladparen (circa 15 cm). In de winter daarna worden de al ingekorte verlengingen nog verder ingekort tot 2 à 3 knoppen (8 tot 10 cm). Dit laatste gebeurt om de vorming van nieuwe bloeisporen te stimuleren.  

Fruitbomen: Veel fruit of weing fruit

Meerdere factoren bepalen dat je fruitbomen veel of weinig vruchten dragen zoals daar zijn de bodemgesteldheid (vruchtbare - voedzame grond), voldoende bodemvocht en zeker niet te verwaarlozen de eigenschap van de planten zelf namelijk of ze zelf fertiel zijn (zichzelf kunnen bestuiven) dan wel een kruisbestuiver van een andere variëteit behoeven.

De meeste appelrassen, peren, pruimen en kersen vragen een kruisbestuiver van een ander ras voor een goede vruchtzetting.
Het is dus aan te raden bij de aanplanting van de fruitbomen om bomen van een verschillend ras te planten om een goede vruchtzetting te bekomen.

Op deze link vindt je enkele tabellen met verwijzing naar een goede kruisbestuiver

Regelmatig krijgen we volgende vragen:
  1.Waarom sterven de planten in mijn tuin?
  2.Waarom willen deze of gene planten niet groeien in onze tuin?
  3.Telkens na een aantal jaren gaat een welbepaalde plant/plantensoort
      dood in onze tuin, wat mag hiervan de reden zijn?

Vooreerst, planten zijn levende wezens, die geboren worden - groeien - ouder worden en ten laatste, doodgaan.
Net zoals bij de mensen en dieren is de levensloop van een plant gebonden aan fysiologische wetten, die beïnvloed worden door allerlei omstandigheden zoals de bodem, het weer, de verzorging, ziekten en plagen.

1.DE BODEM of STANDPLAATS:
Meestal de belangrijkste en vaakst voorkomende oorzaak zijn problemen met de bodem.
Veel planten stellen hun specifieke eisen en laten zich op dit gebied niet gemakkelijk manipuleren.
De meest voor de hand liggende oplossing is in dit geval:
**De plant moet verplaatst worden of er moet iets aan de grond(soort) gedaan worden.
  Frappante voorbeelden in dit geval zijn de heidegrondplanten zoals
      erica,calluna,azalea,rhododendron aangeplant op leem- of kleigronden.
  Deze planten gaan een gewisse hongerdood tegemoet.
  Een ander voorbeeld is een Japanse esdoorn geplaatst in de brandende zon,
of in een windgat.

** Een ander veel voorkomend probleem is te hoge grondwaterstand omwille
van de ligging van het terrein, of omwille van een ondoorlatende grondlaag
op geringe diepte (bijvoorbeeld na de ophoging van een terrein).
 In veel gevallen werden en worden nog steeds tuinen opgehoogd met��
 minderwaardige grond(kostprijsbesparend) en dan gebeurt de ophoging�
 daarenboven nog veelal in slechte omstandigheden (bv. het
 terrein of de aangevoerde grond is te nat en wordt door te zware machines
 zodanig verdicht met als gevolg stagnerend hemelwater en rottende plantenwortels.
 Vervolgens voert men een oppervlakkige grondbewerking uit en "klaar is kees" , denkt men.
 Wanneer er nadien heel natte en/of droge periode's optreden (vooral tijdens het
groeiseizoen van de planten), loopt het natuurlijk kompleet fout met het
afsterven van de planten als gevolg.

" DE BODEM - BODEMSTRUCTUUR
  IS DE FUNDERING VAN UW TUIN"


2.HET WEER:
Bijzondere weersomstandigheden kunnen heelwat problemen veroorzaken.
**Extreme regenval - vooral tijdens de groeiperiode van de plant - veroorzaakt dikwijls
verrotting van de jonge wortels, verzwakking van de plant
en uiteindelijk afsterven van de plant.
**In gronden met een van nature hoge grondwaterstand is een goedwerkende
  drainage ten zeerste aanbevolen.
**Nachtvorst,vooral in de lente, kan heelwat schade aanrichten aan pas
uitgelopen planten.
  Bepaalde planten zijn ook niet echt winterhard en dienen beschermd te
worden tijdens strenge winterdagen.
**Tijdens langere droge periodes is het eveneens raadzaam wat water te
geven aan de planten.
Vooral pas aangeplante planten hebben nog geen uitgebreid wortelgestel om
 het water wat verderop te zoeken.
  Hier is ook weer het tegengestelde van toepassing: verzuip uw planten niet
door overijverig te werk te gaan.

3.DE VOEDINGSTOESTAND VAN DE GROND:
Na enige jaren geraakt de bodem in een tuin uitgeput, zeker in een tuin met een
intensieve beplanting.
Het is dus raadzaam ieder jaar in de vroege lente de beplanting meststoffen toe
te dienen.
Dit kan ook in de herfst maar dan op basis van een compost (al dan niet zelf bereid)
zodanig dat men een voedselrijke humuslaag opbouwt waaruit de planten de
nodige voedingsstoffen kunnen putten tijdens hun groeiperiode.

4.ZIEKTEN:
Ingaan op alle mogelijke plantenziekten zou ons hier te ver leiden doch enkele
zaken dient men nauwlettend in de gaten te houden zoals:

**Bladluizen: zelden zal een plant hieraan afsterven maar het uitzicht van de
plant en zijn groei worden wel danig in de war gestuurd.
Een aangepaste bestrijding is hier op zijn plaats en liefst met een
erkend bestrijdingsmiddel.

**Slakken: zie hierboven bij bladluizen.

**Verwelkingsziekten:
bv. het plotse verwelken van een esdoorn in volle groei,een clematis en sierkers.
Boosdoeners zijn hier bodemschimmels of perevuur.
Bestrijding is onmogelijk en een snelle opruiming van de zieke plant is
gewenst om uitbreiding te voorkomen.

**Witziekte en roest:
Witte schimmel of bruine vlekken op de bladeren van bv. rozelaars,hertshooi
 (hypericum),spiraea enz.
 Vooral warme en vochtige weersomstandigheden bevorderen deze
aantastingen.
Snel ingrijpen met een erkend bestrijdingsmiddel is geboden en nog liefst
preventief.

**Zwarte schimmel op naalden van dennen en taxus:
De bestrijding dient preventief te gebeuren tegen de schildluizen welke
onrechtstreeks de aanleiding zijn voor de ontwikkeling van deze schimmel.

5.KWALITEIT VAN HET PLANTMATERIAAL:
Nogal vlug wordt er met de vinger gewezen naar de plantenleverancier of plantenkweker.
In de meeste gevallen worden er kwaliteitsplanten afgeleverd door de tuincentra
en boomkwekers.
Uitzonderingen hierop zijn meestal naar aanleiding van prijsgepingel,
zwarte marktenverkoop of extreme promotiecampagnes (prijs/kwaliteitsverhouding is zoek).

Een goede plant is gemakkelijk te herkennen:
  - groenblijvende planten dienen een gezonde,blinkende blad- of naaldkleur te
     hebben en een stevige pot- of aardkluit.
  - bladverliezende planten kunnen in de winter beoordeeld worden naar de pot-
    of aardkluit en door eventueel de krabtest.Als de bast bij het loskrabben
    met de vingernagel groen/wit is aan de binnenzijde dan is de plant in orde.
Bij planten met blote wortel kan men deze test eveneens toepassen op
het wortelgestel.De bast zal in dit geval romig wit zijn en een gezonde reuk vertonen.

Anderzijds is het ook zo dat bepaalde planten zich niet gemakkelijk laten
verplanten en gemakkelijk doodgaan. Dit is gewoon de aard van de plant.
Bekende voorbeelden zijn bv. het peperboompje, robinia, pyrus, bepaalde japanse esdoornvariëteiten.
Zeldzame planten horen hier ook thuis, anders zouden ze niet zeldzaam zijn.

Weet U ondertussen nog niet wat er fout is bij uw planten?
Welnu,regelmatig staan wij, beroepsmensen, evenzeer voor een raadsel.
Planten zijn nu eenmaal een levend iets,er kan zich steeds iets voordoen wat
niet te verklaren, te begrijpen valt of te verwachten is, men zou soms denken dat het mensen zijn